Verplichtingen van het bedrijfsleven

Verplichtingen ten aanzien van het afval van kunststof verpakkingen komen voort uit wet- en regelgeving én uit specifieke overeenkomsten. Het gaat daarbij zowel om verplichtingen van organisaties binnen het bedrijfsleven als om verplichtingen voor individuele bedrijven.

Wet- en regelgeving

Per 1 januari 2006 is in Nederland het zogenaamde Verpakkingenbesluit van kracht geworden. Daarmee werd een 15-jarige periode van verpakkingen-convenanten afgesloten en werd op het gebied van verpakkingen en milieu de noodzakelijke implementatie van Europese wet- en regelgeving gerealiseerd. Aan het Verpakkingenbesluit is evenwel zodanig vorm gegeven dat ook weer een grote rol is weggelegd voor collectieve organisatie vanuit het bedrijfsleven.

Het Verpakkingenbesluit is “een convenant verpakt als wet”, zo stelde Recycling Netwerk, de afvalkoepel van de milieubeweging (bij de door haar gewonnen procedure bij de Raad van State – zie 7.a). De feitelijke tekst van het Verpakkingenbesluit legt verplichtingen op aan  individuele producenten en importeurs. Wat betreft kunststof verpakkingen gelden voor hen de volgende verplichtingen:

  1. De plicht om maatregelen te nemen die ertoe leiden dat zo weinig mogelijk verpakkingsmateriaal wordt gebruikt.
  2. De plicht om te zorgen voor het gescheiden innemen van 95% van alle grote en 55% van alle kleine kunststof drankverpakkingen die door het bedrijf op de markt wordt gebracht.
  3. De plicht om ervoor te zorgen dat van de overige kunststof verpakkingen die door het bedrijf op de markt wordt gebracht na de afdanking tenminste 27% als materiaal wordt hergebruikt en 45% nuttig wordt toegepast.
  4. De plicht om ervoor te zorgen dat van het totaal aan verpakkingen dat door het bedrijf op de markt wordt gebracht na de afdanking tenminste 65% als materiaal wordt hergebruikt en 70% nuttig wordt toegepast.

Volgens de toelichting bij het Verpakkingenbesluit kunnen bedrijven er voor kiezen om zich aan te sluiten bij een uitvoeringsorganisatie die zorgt voor een gezamenlijke aanpak. Die aanpak is geslaagd als met het gezamenlijk resultaat wordt voldaan aan de gezamenlijke verplichting. In dat geval mag worden aangenomen dat er niet meer zal worden gehandhaafd op het voldoen aan de individuele verplichtingen van de aangesloten bedrijven. Maar wanneer het gezamenlijk resultaat onvoldoende is, geldt dat niet en blijven bedrijven verantwoordelijk voor hun  individuele verplichtingen. De vraag of een dergelijke gedoogconstructie rechtsgeldig is, is voor wat betreft kunststof verpakkingsafval     feitelijk niet relevant gezien de in totaal te lage inzamel- en recyclingpercentages
(zie verder de paragraaf Handhaving – 7.a).

Inmiddels is een gewijzigd Ontwerp Verpakkingenbesluit gepubliceerd, waarin de twee inzamelverplichtingen zijn geschrapt en de recyclingverplichting is gewijzigd. Volgens dit ontwerp zal een recyclingverplichting voor alle kunststof verpakkingen gaan gelden van 38% in 2010 en 42% in 2012. Andere wijzigingen zijn het opheffen van de mededelingsplicht en een vrijstelling voor bedrijven die minder dan 15.000 kg verpakkingen op de markt brengen. De niet in werking getreden statiegeldparagraaf van het Verpakkingenbesluit blijft bestaan.
Onbekend is nog of dit ontwerp ongewijzigd zal worden ingevoerd en per wanneer het dan zal gaan gelden; vooralsnog geldt het bestaande Verpakkingenbesluit dat per 1 januari 2006 in werking trad.

Raamovereenkomst

De minister van VROM heeft zich op 27 juli 2007 gebonden aan een raamovereenkomst over de aanpak van de dossiers verpakkingen en zwerfafval met een “onderhandelaar namens het bedrijfsleven” en de voorzitter van de VNG. De raamovereenkomst is een jaar later voorzien van een addendum met daarin aanvullende afspraken over nascheiding van kunststof verpakkingsafval en over het inrichten van een tripartiete bestuurlijke begeleidingscommissie onder voorzitterschap van de Directeur-generaal Milieubeheer. In deze begeleidings-commissie zullen niet alleen de jaarlijkse monitoringsresultaten worden besproken, maar zal ook worden bezien of en hoe aanvullende maatregelen moeten worden getroffen. Het Ministerie van VROM lijkt daarmee – nog steeds – op een convenant-achtige wijze gebonden aan het bijstaan van verantwoordelijke bedrijven en gemeentes bij de uitvoering van maatregelen voor het afvalbeheer van verpakkingen.

De binding van individuele bedrijven aan de raamovereenkomst is zwak. Het is niet mogelijk gebleken gezamenlijke financiering van een gezamenlijke aanpak te realiseren via de uitvoeringsorganisatie(s) van het bedrijfsleven. In plaats daarvan is aangehaakt bij de later ingevoerde verpakkingenbelasting. De verplichtingen van de raamovereenkomst zijn feitelijk aangegaan door uitvoeringsorganisatie Nedvang, ondertekenaar van het addendum.

In de raamovereenkomst zijn afspraken vastgelegd over vergoedingen voor uitgaven t.b.v. het betreffende afvalbeheer. Tevens is afgesproken dat verplichtingen uit het Verpakkingenbesluit (‘doelstellingen’ genoemd) worden gewijzigd. Afgeschaft wordt de verplichting om een groot percentage kunststof drankverpakkingen in te zamelen. De juridische status van deze afspraken wordt betwist. SDV, de uitvoeringsorganisatie van de glas-sector, heeft hierover een juridische procedure aangespannen. De milieubeweging (Recycling Netwerk) betwist de afschaffing van inzamelverplichtingen, omdat juist inzameleisen -veel beter dan recyclingeisen - goed zouden kunnen worden gehandhaafd.

Wat dit betreft is ook de slotzin van het addendum op de raamovereenkomst het vermelden waard: “Dit alles laat onverlet dat de betrokken partijen hun eigen verantwoordelijkheden, verplichtingen en bevoegdheden hebben op grond van het Besluit Beheer Verpakkingen en Papier en Karton.”