Respons

De opbrengst van de gescheiden inzameling van kunststof verpakkingsafval wordt bepaald door de totale hoeveelheid kunststof verpakkingsafval die wordt afgedankt en door de respons. Het gaat dus om het aanbod van consumentenafval en het afdankgedrag van consumenten. Daarbij ligt het voor de hand te focussen op kunststof verpakkingen uit huishoudens en het huishoudelijk (rest)afval waarin die verpakkingen terecht komen.

De respons van gescheiden inzameling is bij kunststof verpakkingen moeilijk te bepalen; de input is zeer complex en er zijn meerdere afvalstromen in het geding. Er zijn geen nauwkeurige cijfers bekend over het totale aantal kton (= miljoen kilogram) kunststof dat jaarlijks door Nederlandse consumenten wordt afgenomen als verpakking van door hen aangekochte producten. En ook het aantal kton dat door consumenten wordt afgedankt is niet rechtstreeks en exact te bepalen vanwege een aantal redenen:

  1. Niet alle kunststof verpakkingen van consumentenproducten komen terecht in huishoudens. Het gaat ook om verpakkingen om voedsel, drank en andere producten die bijvoorbeeld gebruikt worden door winkels, ziekenhuizen, zorginstellingen, in de bouw, op kantoren en in andere bedrijven. Deze kunststof verpakkingen worden dus voornamelijk afgedankt via KWD-afval, ziekenhuisafval en diverse bedrijfsafvalstromen.
  2. Door huishoudens afgedankte kunststof verpakkingen komen niet alleen terecht in het huishoudelijk restafval, maar voor een deel ook in andere afvalstromen zoals zwerfafval, veegafval en kantineafval van bedrijven en instellingen.
  3. Een klein deel van de kunststof verpakkingen die worden afgedankt via het huishoudelijk restafval is afkomstig van bedrijven en instellingen.

Aangenomen mag worden dat het grootste deel van de kunststof verpakkingen van consumentenproducten wordt afgedankt via het huishoudelijk restafval. Op basis van de representatieve sorteerproeven die ieder jaar door SenterNovem worden uitgevoerd kan worden berekend dat het daarbij in Nederland gaat om een hoeveelheid van meer dan een half miljard kilogram kunststof verpakkingsafval in 2008. Dat betekent gemiddeld per Nederlands huishouden een jaarlijkse hoeveelheid van ruim 70 kilogram, exclusief productresten en vervuiling.
Het totale potentieel voor de gescheiden inzameling van kunststof verpakkingen is beduidend groter. Het kan daarbij gaan om naar schatting rond 30 kilogram extra van vergelijkbare kunststof verpakkingen die worden afgedankt op straat en in kantines en door kantoren, winkels, zorginstellingen en bedrijven.

De respons van de kunststofinzameling die tot dusver is gerealiseerd steekt hier tamelijk schril bij af, met een gemiddelde respons van minder dan 10% van het via het restafval afgedankte kunststof verpakkingsafval.

Volgens het evaluatierapport dat in maart 2009 werd uitgebracht door Nedvang en KplusV zouden de KFF-pilots en de KFF+-pilots hebben geleid tot een gemiddelde jaaropbrengst per huishouden van respectievelijk 2,3 kg en 7,9 kg, inclusief vervuiling. Exclusief de geconstateerde vervuiling was de gemiddelde respons van de koplopergemeentes bij de brede inzameling van alle kunststof verpakkingen 6,7 kg per huishouden per jaar.

Een lichtpunt is hierbij dat in een aantal gemeentes een beduidend hogere respons werd gerealiseerd:

  • De gemiddelde respons lag bij gemeenten met een haalsysteem een factor twee á 3 hoger dan bij gemeenten met een brengsysteem
  • Gemeenten met Diftar (zie 8.2) haalden gemiddeld een 50% hogere respons dan gemeenten zonder
  • De gemiddelde respons is hoger naarmate gemeenten minder verstedelijkt zijn

Op basis van deze analyse zijn door KplusV modelberekeningen gemaakt om de te verwachten respons per aansluiting per jaar in te schatten. Het gaat daarbij om de respons bij een inzameling die zich niet beperkt tot flessen en flacons, maar zich richt op alle kunststof verpakkingen.

De hoogste respons (24 kg per huishouden per jaar) wordt verwacht bij gebruik van haalsystemen in niet-stedelijke Diftar-gemeentes. De laagste respons (5 kg per huishouden per jaar) wordt verwacht bij gebruik van brengsystemen in stedelijke gemeentes zonder Diftar* (het gaat hierbij waarschijnlijk om de respons inclusief vervuiling).

Al met al lijkt voor deze kunststofinzameling in Nederland uiteindelijk een gemiddelde respons van 12 á 15 kg per huishouden het hoogst haalbare. Nederland is immers in belangrijke mate verstedelijkt en Diftar is slechts ingevoerd bij zo’n 25% van de Nederlandse huishoudens. Hierbij moet nog worden bedacht dat de in 2009 geëvalueerde inzamelpilots een dekkingsgraad hadden van 5% van de Nederlandse huishoudens en dat het niet waarschijnlijk is dat in 2012 een dekkingsgraad van meer dan 70 á 75% zal zijn bereikt.
Dit maakt het zelfs twijfelachtig of de door Nedvang voor 2009 geformuleerde streefwaarde van 85 kton ingezamelde kunststof verpakkingen uit huishoudens in 2012 zal worden gerealiseerd met de huidige aanpak. Verwachten dat in 2012 zal worden voldaan aan de recyclingeisen voor kunststof verpakkingen uit het nieuwe ontwerp Verpakkingenbesluit lijkt daarmee weinig realistisch (zie 6.1).

* Het is sterk de vraag of in dit soort gemeentes de milieubaten van kunststofinzameling opwegen tegen de milieulasten, zeker omdat hier ook meer vervuiling van de kunststoffractie moet worden verwacht (zie 5.4).